Open brief van de VBLP aan Gemeenteraad Wijdemeren.

Naar aanleiding van het verschijnen van het definitieve MER heeft de VBLP een open brief verstuurd aan o.a de gemeenteraad Wijdemeren. Wij willen de brief met zo veel mogelijk mensen delen. De definitieve MER en bijbehorende documenten kunt u via de website Wijdemeren downloaden. Mocht u vragen hebben dan kunt u contact opnemen met ons secretariaat.

Oud-Loosdrecht, 11 december 2019,

Geachte leden van de Gemeenteraad,

De aanleiding voor het schrijven van deze brief is het verschijnen van het MER Vaarverbinding Hilversums kanaal – Loosdrechtse Plassen op 6 december j.l.

Zoals wellicht bekend is de VBLP vanaf medio 2017 betrokken geraakt bij de plannen voor het aanleggen van deze vaarverbinding voor de pleziervaart. Wij hebben vanaf dat moment onze bezwaren tegen het aanleggen van een vaarverbinding door de Loenderveense Plas duidelijk naar voren gebracht. De VBLP heeft zich niet alleen kritisch maar ook constructief opgesteld in het proces dat heeft geleid tot deze MER.

Thans ligt de definitieve versie (D2) van het MER voor. De VBLP heeft de gelegenheid gekregen om in de begeleidingsgroep m.e.r onze inhoudelijke opmerkingen op het concept MER te delen. Tijdens de laatste bijeenkomst van de begeleidingsgroep MER is afgesproken dat de kritiekpunten die o.a. door Natuurmonumenten en de Vechtplassencommissie gedeeld worden per brief naar de Commissie MER gestuurd zullen worden. Het gaat wat te ver om alle inhoudelijke opmerkingen via deze weg te delen, dus we hebben ons beperkt tot de belangrijkste punten.

De VBLP is zeer bezorgd over de kwaliteit van dit MER ten aanzien van twee hoofdpunten die wij in het vervolg nader zullen toelichten.

  1. Het bouwstenenrapport van Bureau Vrolijks geeft een ongefundeerd positief beeld van de te verwachten baten;
  2. De veelal negatieve effecten die de vaarverbinding met zich meebrengt worden structureel onderschat, weggeredeneerd, gebagatelliseerd, of zelfs in het geheel niet genoemd.

In de begeleidingsgroep m.e.r. en de regiegroep is gesproken over het ter visie leggen van het MER. Wij hebben hiermee ingestemd op voorwaarde dat de kritiekpunten van de begeleidingsgroep gedeeld zouden worden met de Commissie m.e.r. die een beoordeling zal maken van dit MER. De stuurgroep heeft ingestemd om de kritiekpunten en het verslag van de begeleidingsgroep m.e.r. te sturen aan de Commissie m.e.r. Ook de Gemeente Wijdemeren heeft een brief verstuurd naar de Commissie m.e.r. met zogenoemde aandachtspunten.
Daarnaast is het uiteraard ook belangrijk om een groter publiek de gelegenheid te geven dit MER te kunnen beoordelen.

Wij hechten er waarde aan om onze punten van zorg die wij eerder hebben gedeeld met de begeleidingsgroep inhoudelijk ook met u te delen.

  1. Rapport bureau Vrolijks- ongefundeerd positief beeld verwachte baten

De VBLP heeft in de inleiding reeds aangegeven twijfels te hebben over de onafhankelijkheid van Bureau Vrolijks (Vrolijks) en de kwaliteit van de Bouwstenenrapportage. Onze kritiek betreft de volgende punten:

  • Vrolijks is in de initiatieffase betrokken geweest bij het opstellen van diverse presentaties en rapporten waarin wordt gepleit voor het aanleggen van vaarverbindingen in het OVP gebied. (zie onder meer: presentatie over recreatie in eerste integratiesessie, 27 november 2014); Vrolijks is eerder ingeschakeld door de watersportondernemers, voor het schrijven van een rapport, gefinancierd door de initiatiefnemer de Provincie NH. Vrolijks heeft meermalen getoond een groot pleitbezorger te zijn van de vaarverbinding.
    In de regiegroep-bespreking van september 2018 wordt medegedeeld dat Vrolijks als “onafhankelijk onderzoeker” is toegevoegd aan het team dat de m.e.r. gaat uitvoeren. De VBLP en Natuurmonumenten hebben hierop in de regiegroep te vergeefs gepleit voor een andere keuze dan Vrolijks;
    Zou het niet veel beter geweest zijn om voor een andere onderzoeker te kiezen en zo de schijn van belangenverstrengeling te vermijden?
  • In de inleiding van het rapport Bouwstenen wordt aangegeven dat er zeer weinig data beschikbaar is voor het onderzoek(pag. 3). Vervolgens wordt in hoofdstuk 7 toch getracht een schatting te maken van de toename van de te verwachten aantal vaarbewegingen voor verschillende varianten. De inschatting van de te verwachten economische effecten zijn gebaseerd op de aanname dat de nieuwe vaarverbinding leidt tot 10 – 20 % meer vaarbewegingen bij de routes door de Loenderveense Plas. Dit leidt tot, afhankelijk van de variant, circa 10.000 extra vaarbewegingen per jaar! Deze belangrijke aanname wordt nergens onderbouwd en is daarmee zeer discutabel. Te meer daar deze schatting zeer bepalend is voor het financiële gewin (pag. 15, 16) dat vervolgens zeer precies wordt berekend. Deze inschatting wordt vervolgens zonder enige terughoudendheid gebruikt bij het bepalen van de effecten in het MER.

2. Negatieve effecten op Natuur

In de Loenderveense Plas, Wijde Blik en Vuntus komen voor zover bekend de volgende beschermde habitattypen, broedvogels en niet-broedvogels voor:

(Bron: https://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/gebiedendatabase)

Code Habitattype/

Broedvogel

Landelijke staat van instandhouding Doelstelling Oppervlak Doelstelling kwaliteit Sense of Urgency
H3140 Kranswierwateren > >
H3150 Meren met krabbenscheer en fonteinkruiden > > Ja
A295 Rietzanger = =
A298 Grote Karekiet – – = = Ja
Niet-broedvogels +/-/- – = =

Legenda: + Gunstig;   – Matig gunstig;   – – Zeer ongunstig  > Uitbreiding of verbeteren;  = Behoud; Voor alle hier boven genoemde habitattypen, broedvogels en niet-broedvogels geldt dus dat de doelstelling is om ten minste het oppervlak en de kwaliteit te behouden.

2.1 Effecten in de Loenderveense Plas
De aanleg van het kanaal met sluis, brug en beschoeiing met talud (dam) zal vrijwel zeker leiden tot het verlies van habitat van de beschermde broedvogels en niet-broedvogels langs de oostoever van de Loenderveense Plas, Grote Karekiet en Rietzanger (J. vd Winden et al, Vragen vaarverbinding ecologie, 20 nov. 2018).
De aanleg en het gebruik van het kanaal zal ook vrijwel zeker leiden tot verlies van onderwaterflora door omwoeling van slib, van mogelijk beschermde habitattypen: Kranswierwateren en Meren met Krabbescheer en Fonteinkruiden. Het verlies van habitat is niet te mitigeren (blz. 83, 87, 201, 202 MER).

Onze conclusie is dat alle varianten door de Loenderveense Plas in strijd zijn met de Wet Natuurbescherming en daarom als zeer negatief (- -) gecategoriseerd dienen te worden en niet als beperkt negatief zoals omschreven in het MER.

2.2 Effecten op de Wijde Blik en Vuntus
In het MER wordt gesproken over mitigerende maatregelen voor negatieve effecten voor natuur, door het aanleggen van balkenlijnen, drijfbalken en hekken (pagina 88, 89 MER) en het afsluiten van het oostelijk deel van de Vuntus voor sloepen. Deze maatregelen zouden de recreant moeten beletten om naar de oever te varen en/of elders op de plas te gaan varen. Heeft het nemen van deze maatregelen voldoende effect om de negatieve effecten te mitigeren? Deze belangrijke vraag hebben de schrijvers van het MER niet kunnen beantwoorden.

In de begeleidingsgroep mer is door meerdere aanwezige partijen aangegeven dat het plaatsen van balkenlijnen, en ander soort geleidingssystemen uit het oogpunt van beleving en recreatie niet acceptabel is. Hierover wordt echter met geen woord gerept in het MER.

3. Stikstofdepositie – “Niet alles kan”
De uitspraak van de raad van State betreffende PAS is erg duidelijk en ingrijpend en heeft geleid tot de zogenaamde “stikstofcrisis”.
De VBLP heeft door een onafhankelijk bureau (Tauw) een berekening laten maken van stikstofdepositie (Aerius calculator) als gevolg van de aanleg en het gebruik van de vaarverbinding. Hierbij is ingezoomd op de variant LV3 via Vuntus. In deze berekening is meegenomen de aanleg en het gebruik van het kanaal inclusief de effecten van de toename van het wegvervoer.
Uit de berekeningen van Tauw blijkt dat in de aanlegfase en gebruiksfase een maximale depositie wordt berekend van 66,28 respectievelijk 6,49 mol/ha/jaar op relevante habitattypen binnen Natura 2000 gebieden. Ook is bepaald wat de maximale depositie is ten gevolge van het project, op habitattypen binnen Natura 2000 gebieden waarvan de Kritische Depositie Waarde (KDW) reeds is overschreden, of ten gevolge van het project overschreden zou worden. In de aanlegfase is er sprake van een maximaal berekende depositie van 19,87 mol/ha/jaar op het reeds overbelaste habitattype ‘H7140A, Overgangs- en trilvenen (trilvenen)’ in Natura 2000 gebied de Oostelijke Vechtplassen. Analoog is er in de gebruiksfase sprake van een berekende maximale depositie van 6,33 mol/ha/jaar op het reeds overbelaste habitattype ‘ZGH7140B, Overgangs- en trilvenen (veenmosrietlanden)’ in Natura 2000 gebied de Oostelijke Vechtplassen.

Conclusie: “Op basis van de resultaten kan gesteld worden dat ten gevolge van het project significante effecten op relevante, stikstofgevoelige, habitattypen in nabijgelegen Natura 2000 gebieden niet zijn uit te sluiten. Om na te gaan of het project toch inpasbaar is met de instandhoudingsdoestellingen die zijn gesteld aan de diverse Natura 2000 gebieden, zal vanuit ecologisch oogpunt een passende beoordeling uitgevoerd moeten worden.”
Het lijkt ons dat op basis van deze uitkomst een beoordeling zeer negatief effect (- -) op zijn plaats zou zijn. Echter de schrijvers van het rapport zien nog mogelijkheden om te mitigeren of extern te salderen. Het lijkt ons meer voor de hand te liggen om de mogelijk ruimte voor salderen, indien überhaupt beschikbaar, te gebruiken voor zaken als uitbreiding van woningbouw en het behoud van landschappelijke kenmerken (vee in de wei).

4. Geluid;
In de definitieve versie MER wordt geluid als sterk negatief (- -) beoordeeld.
“Bij de sterk negatieve beoordeling geldt de kanttekening dat het hoge percentage het gevolg is van de gehanteerde methode. Op basis van de verschuiving van de geluidcontouren wordt verwacht dat het werkelijke effect slechts zeer beperkt zal zijn.” Een zo duidelijk negatief effect kan naar onze mening niet op deze wijze worden gebagatelliseerd.

5. Effecten van de aanleg van het kanaal;
De aanleg van varianten worden zeer beperkt beschreven in het MER. Er wordt slechts aangegeven dat het bouwen van de damwand een half jaar tot een jaar gaat duren en dat er tijdelijke effecten op de natuur zijn.
De VBLP heeft de aanleg van een kanaal globaal uitgerekend en komt op een totaal ander beeld uit. Voor de varianten LV3 wordt in de aanlegfase voorzien in de bouw van een sluis, een damwand met dijk en een heul. De bouwactiviteiten zijn onder meer:

  • het bouwen van de sluis in de A. Lambertszkade;
  • het bouwen van de heul in de Horndijk of Veendijk;
  • het trillen van de damwand over een lengte van maximaal 2000 m;
  • het aanvoeren van maximaal circa 125.000 m3 grond per vrachtwagen. Dit correspondeert met circa 10.400 vrachtladingen van 12 m3;
  • het storten van 125.000 m3 grond in de Loenderveense Plas voor het maken van de dam;
  • voor de aanleg van LV3 via Vuntus is dit ongeveer 50.000 m3 grond. Dit correspondeert met circa 4000 vrachtladingen van 12,5 m3;

Deze bouwactiviteiten zullen grote invloed hebben op de flora en Fauna in de Loenderveense Plas en de Vuntus en het Wijde Blik, A. Lambertszkade. Deze effecten worden nauwelijks beschreven in het MER. De zware transporten zullen vrijwel zeker kunnen leiden tot schade aan de veendijken. Mogelijk zal er ook schade aan woningen optreden. De effecten hiervan zijn wederom niet beschreven in het MER.

6. Zwemwater
In het studiegebied bevinden zich twee zwemlocaties, het Zuwestrand en het Vuntusstrand. Vooral de locatie Vuntusstrand bevindt zich zeer dicht nabij de vaarroute naar de oude heul. De effecten worden slechts beoordeelt als 0/- (beperkt negatief). Als kenners van de situatie ter plaatse zijn wij van mening dat de effecten, de gevaren, sterk onderschat worden (mogelijke aanvaringen en watervervuiling). Op de 15 topdagen zullen hier circa dertig vaarbewegingen per uur extra plaatsvinden (circa 240 per dag). Er wordt tegenwoordig bij het Vuntusstrand veelvuldig buiten de balken gezwommen en gerecreëerd onder meer door groepen kinderen met bijvoorbeeld luchtbedden en opblaasboten. Wij willen er op wijzen dat handhaving onderbezet is en op dit moment haar handen vol heeft aan snelvaarders. Daarnaast zijn er vele watersporters (ook huurders) die de vaarregels niet of nauwelijks kennen. Op een mooie dag is het nu al geboden om zeer langzaam te varen bij de ingang van de oude heul. Hierdoor wordt de capaciteit van de oude heul beperkt waardoor er opstoppingen en mogelijk onoverzichtelijke situaties kunnen ontstaan. Wij vragen daarom aandacht voor de veiligheid van zwemmers waaronder kleine kinderen bij het Vuntusstrand.

Het antwoord van de opstellers van de MER op onze bezorgdheid over de veiligheid van zwemmers: “de zwemmers hebben ook in de referentiesituatie rekening te houden met de aanwezigheid van verschillende soorten boten” (blz. 142 MER). Deze opstelling gaat volledig voorbij aan het feit dat er in de nieuwe situatie 240 vaarbewegingen per topdag meer zullen plaatsvinden dan nu het geval is.

7. Capaciteit van de nieuwe sluis (pag. 141 MER)
In de bouwstenen rapportage van Vrolijks wordt uitgegaan van 9.200 extra vaarbeweging bij de variant LV3 kort. En 11.900 extra vaarbewegingen bij de LV3 lang. Op basis van deze getallen wordt ook het economisch gewin berekend.
Een simpele rekensom wijst uit dat de nieuw te bouwen sluis in de A. Lambertszkade te klein is om het aantal boten van A naar B te brengen op de 15 topdagen. Wij durven te stellen dat één van de doelstellingen van de vaarverbinding, het maken van kortere vaarroutes, niet behaald zal worden doordat er lange wachtrijen voor een te kleine sluis zullen ontstaan. Het is daarmee zeer discutabel of de te verwachten extra vaarbewegingen werkelijk behaald zullen worden. Ook het financiële gewin vervalt hiermee deels.

8. Parkeren
Door de toename van het toerisme in het gebied door de aanleg van de vaarverbinding. (minimaal 240 mensen op topdagen en 192 mensen op normale dagen) kan men ervan uit gaan dat er ook minimaal 240 extra auto’s (192 auto’s) in het gebied zullen komen.

Op dit moment zijn er een aantal knelpunten in het gebied Loosdrecht – Kortehoef wat betreft parkeren op mooie dagen langs: de Zuwe, de Veendijk, de oud Loosdrechtse dijk en de Horndijk. In het MER wordt parkeren als niet problematisch gezien op de 15 topdagen terwijl dit nu al een probleem is. Dit is voor ons niet te rijmen met de huidige situatie. Er is een parkeerprobleem op mooie dagen maar door extra drukte door deze nieuwe vaarverbinding is het parkeerprobleem niet meer aan de orde. Wij vragen daarom aandacht voor het parkeer-probleem in het plangebied.

9. Conclusie
Na het lezen van de D2 versie van het MER komen wij tot de conclusie dat dit MER een te positief beeld geeft van de effecten van het aanleggen van de vaarverbinding.

De optelsom van vele beperkt negatieve effecten, aangevuld met een zeer negatief effect (geluid) en negatieve effecten (NNN, KRW en landschap), brengt ons tot de conclusie dat geen van de varianten, met uitzondering van 0+, nader onderzoek behoeft.

Namens de Vereniging Behoud Loenderveense Plas,

Hoogachtend, P. Linssen

Voorzitter

Kopie: Leden VBLP, Regiegroep, Stuurgroep, Commissie m.e.r.